Perspectief 2022-59

38 Dr. Mattijs Ploeger Perspectief Het is mijn overtuiging dat de radicaliteit van deze denkrichting, de radicale nieuwheid van deze theologische benadering, te weinig bekend is, en dat de gevolgen van dit denken te weinig aandacht krijgen. Ik zou de volgende stelling willen wagen. Er bestaat zoiets als een vroegkerkelijk paradigma – ondanks, en met erkenning van, de diversiteit in de Vroege Kerk is het bij veel thema’s simpelweg een feit dat zij in de Vroege Kerk principieel anders werden gezien dan sinds de late middeleeuwen. Daarnaast bestaat er een laatmiddeleeuws paradigma, dat door de Reformatie en de Contrareformatie tot op grote hoogte overgenomen is. En ten slotte bestaat er – met eerste aanzetten in de negentiende eeuw,10 maar vooral uitgewerkt in de twintigste eeuw – een neo-patristisch paradigma. Alle huidige theologische scholen – zo luidt mijn stelling – zijn te begrijpen als varianten van ofwel het laatmiddeleeuwse, ofwel het neo-patristische paradigma. Een sprekend voorbeeld daarvan is het door Trinette Verhoeven genoemde lutherse debat rondom het eucharistisch gebed.11 Luther kende het westerse eucharistisch gebed – de Canon Romanus – uitsluitend in zijn toenmalige gestalte en interpretatie; hij kende het eucharistisch gebed dus uitsluitend binnen het laatmiddeleeuwse paradigma.12 Daardoor staat ook Luthers liturgische vernieuwing – met name de verzelfstandiging van de inzettingswoorden – binnen datzelfde paradigma. De Mis van de late middeleeuwen en van de Contrareformatie, en de lutherse Mis, zijn tegenpolen binnen het laatmiddeleeuwse paradigma. Het eucharistisch gebed is echter van vroegkerkelijke oorsprong. Ook de Canon Romanus laat zich vroegkerkelijk interpreteren – zoals trouwens Aldenhoven in dit boek uitvoerig onderbouwt.13 Luthers oplossing is een oplossing binnen een problematisch interpretatiekader. Wanneer we het interpretatiekader veranderen, verdwijnen de meeste problemen, zoals rondom misoffer, praesentia realis en het ambt dat in de eucharistie voorgaat.14 De hedendaagse kerkelijke liturgie en de hedendaagse liturgische theologie moeten daarom kiezen uit twee opties. Ofwel we blijven binnen het laatmiddeleeuwse paradigma, en daarmee ook binnen de nog steeds onoplosbare tegenstelling tussen Reformatie en Contrareformatie. Ofwel we accepteren het feit dat de liturgie niet uit de late middeleeuwen, maar uit de Vroege Kerk stamt, en we accepteren het daarmee logischerwijze verbonden uitgangspunt dat de liturgie het beste (het meest „passend“) geïnterpreteerd kan worden binnen het vroegkerkelijke paradigma.

RkJQdWJsaXNoZXIy MzgxMzI=