|
Door:
Margriet Gosker
Wie was Calvijn?
Jeugd
Calvijn werd
op 10 juli 1509 in de kleine bisschopsstad Noyon (in
Noord-Frankrijk) geboren, ongeveer 100 km ten Noorden van
Parijs. Eigenlijk heette hij Jean Cauvin. Zijn moeder, Jeanne
Lefranc was een vrome vrouw uit een goede familie. Ze stierf
jong. Calvijn was de vierde van vijf (of zes) kinderen. Zijn
oudste broer heette Charles, hij had een broer Antoine en twee
(stief?)zusters, van wie er een Marie heette. Zijn vader Gérard
Cauvin stamde uit een geslacht van Picardische rivierschippers
had een goede betrekking bij het domkapittel in Noyon. Hij was
financieel deskundige van de stad en secretaris van de bisschop,
die Charles van Hangest heette. Gérard wilde dat zijn zoon een
goede opleiding zou genieten. Daarom kreeg Jean les samen met de
kinderen uit de adellijke familie Montmor, die gelieerd was aan
de bisschop. De jonge Jean werd in 1521 aangesteld als kapelaan
van La Gésine in Noyon. Daar hoefde hij niets voor te doen, het
was een soort studietoelage. Van het geld kon hij zijn vervanger
betalen en dan hield hij er nog studiegeld aan over. Zijn eerste
onderwijs kreeg hij op het College des Capettes in Noyon.
Eerste verblijf in Parijs
Tussen 1521
en 1523 ging hij in Parijs studeren. Wellicht aan het Collège de
la Marche en/of het Collège Sainte Barbera. Hij kreeg onderricht
in de Latijnse grammatica van de bekende pedagoog Mathurin
Cordier, die aan meerdere instellingen in Parijs doceerde. Later
stelde Calvijn Cordier aan tot organisator van het schoolwezen
in Genève en Lausanne. In 1524 ging Calvijn als camériste
letteren en wijsbegeerte studeren aan het Collège de Montaigu.
Hij was daar niet intern, maar huurde zelf een eigen kamer. De
studenten van Montaigu hadden de bijnaam ‘capettes’ vanwege hun
grijze collegetoga’s. In Parijs veranderde Calvijn zijn naam
naar de toenmalige gewoonte in Iohannes Calvinus. Hij studeerde
vlijtig en behaalde in 1528 de graad van Magister in de Artes
Liberales (Vrije Kunsten). John Mair (of Major) is als zijn
leermeester aangemerkt, maar dat is niet zeker. Deze
hooggeleerde schreef een commentaar op de vier evangeliën, hij
verdedigde het rooms-katholicisme tegenover Wyclif, Hus en
Luther en schreef in 1519 een commentaar op de Sententiën van
Petrus Lombardus (ca.1100-1160). Wellicht heeft Calvijn daar
toen al kennis van genomen, evenals van de kerkvaders. Vooral
Augustinus (354-430) boeide hem. Calvijn was uiteraard toen ook
al op de hoogte van het optreden van Luther. Het is niet zeker
of Calvijn Luther toen al zelf gelezen had of niet. In die
periode raakte Calvijns vader in conflict met de geestelijkheid
van Noyon en dat was wellicht de reden. dat hij niet meer wilde,
dat zijn zoon priester zou worden. Calvijn gehoorzaamde. Hij
wilde zelf eigenlijk ook al geen priester meer worden, want hij
was geïnteresseerd geraakt in de reformatiebeweging, die vanuit
Duitsland steeds meer invloed kreeg. Op dat moment sloot hij
zich echter nog niet aan bij de reformatie. Hij was nog een
katholieke humanist, die zocht naar vernieuwing van de
wetenschap.
Orléans en Bourges
In 1527 of
1528 begon hij aan zijn rechtenstudie aan de juridische
faculteit in Orléans. Hij leerde Grieks bij Melchior Wolmar en
kreeg ook onderricht van de beroemde jurist Petrus Stella
(Pierre de l’Estoile). In 1529 zette hij zijn studies voort in
Bourges bij de befaamde jurist Andreas Alceati uit Milaan. In
1531 werd zijn vader ernstig ziek en Calvijn reisde af naar
Noyon om zijn vader in diens laatste uren bij te staan. De
strijd met het domkapittel was heftig geweest. Calvijns vader
was in 1529 geëxcommuniceerd.
Opnieuw Parijs
Na het
overlijden van zijn vader ging Calvijn terug naar Parijs om zich
aan de rechtenstudie en ook aan litteraire studies te wijden. In
Parijs had koning Frans I een nieuwe - humanistisch
georiënteerde - universiteit gesticht. Daar liet Calvijn zich
inschrijven. We beschikken echter niet over het volledige
inschrijvingsregister uit die periode. In de winter van 1531/32
schreef hij een commentaar op Seneca’s De clementia: over de
edelmoedigheid (met dank aan R. Reeling Brouwer, die mij er op
wees dat dit werk van Calvijn ook bedoeld was als een
vorstenspiegel). Daarna ging hij terug naar Orléans om zijn
rechtenstudie te voltooien. Hij behaalde er zijn graad van
doctor in de rechten in 1532. De juridische kennis kwam hem
later goed van pas bij de kerkorganisatie.
Bekering
Over zijn
bekering tot de reformatie (1533 of 1534) is weinig bekend.
Calvijn sprak bijna nooit over zichzelf. Volgens Beza zou zijn
neef Olivetanus invloed op Calvijns bekering hebben gehad. In
het voorwoord van zijn verklaring van de psalmen uit 1537 heeft
Calvijn uitgesproken, dat hij vroeger tot het pausdom had
behoord, maar plotseling door goddelijk ingrijpen tot de
reformatie was bekeerd (subita conversio). We weten niet op welk
tijdstip dat precies was. Het moet vóór 4 mei 1534 zijn geweest,
want op die dag reisde Calvijn naar Noyon en weigerde de
kerkelijke prebende, wat gezien wordt als een consequentie van
zijn afwending van het katholicisme. Maar de bekering kan ook al
eerder (in 1533) plaatsgevonden hebben. Dat zou het geval zijn,
indien we met zekerheid wisten, dat Calvijn inderdaad
mederedacteur was van de zogenaamde Cop‑rede.
Vlucht uit Parijs
De medicus
Nicolaas Cop, rector van de universiteit van Parijs, hield een
rede over de zaligsprekingen op 1 november 1533 bij de opening
van het semester in de Franciscaner Église des Mathurins. Hij
sprak zich daarbij openlijk voor de reformatie uit. De
Franciscanen beschuldigden Cop onverwijld van ketterij en enige
weken later moest Cop al uit Parijs wegvluchten naar zijn
geboorteplaats Bazel. Er is een document bekend, waarin de
Cop-rede te vinden is in het handschrift van Calvijn, maar deze
kan ook later door hem zijn overgeschreven. De onderzoekers zijn
het er niet over eens of de rede van Cop al of niet gedeeltelijk
uit de pen van Calvijn is gevloeid. In dat geval zou zijn
bekering tot de reformatie al in de herfst van 1533 hebben
plaatsgehad. In oktober 1534 vond in Parijs de zogenaamde
Plakkaten-affaire plaats. Er waren in de openbare ruimte
plakkaten tegen de mis opgehangen. Vlak daarvoor had Calvijn
reeds aandacht op zich gevestigd door zich openlijk uit te
spreken voor de reformatie. Zo moest ook Calvijn begin 1535 uit
Parijs wegvluchten.
Verblijf
in Bazel gevolgd door een periode van reizen trekken
Hij ging
naar Bazel. Daar werkte hij aan een Franstalige catechismus,
waaraan hij al tijdens een verblijf in Angoulême begonnen was.
In Bazel leefde hij onder het pseudoniem ‘Lucianus’- een anagram
van Calvinus - en werkte door aan zijn catechismus, die in
augustus 1535 gereed kwam. Het werk werd in 1536 bij Platter en
Lasius in Bazel gedrukt onder de titel Institutio christianae
religionis. Verder bestudeerde Calvijn daar de Bijbel en de
werken van Maarten Luther, Philip Melanchthon en Martin Bucer.
In Bazel leerde hij ook Hebreeuws en las de scholastieken. Hij
moet een ongelofelijke werkkracht gehad hebben. Vlak na de
voltooiing van de Institutie bracht hij enige tijd door aan het
hof van hertogin Renata van Ferrara, een zuster van de Franse
koning Frans I. Zij was hervormingsgezind. Daarna reisde hij
door naar Parijs om enige familiezaken te regelen. Vervolgens
wilde hij naar Straatsburg gaan om er o.a. Bucer te treffen.
Maar hij moest een omweg nemen vanwege vijandelijkheden tussen
koning Frans I en keizer Karel V. En zo reisde hij over Lyon en
Genève. Hij was van plan er een nacht te blijven. Maar het liep
anders.
Eerste periode in Genève
Genève was
in 1535 tot de reformatie over gegaan, maar er was leiding in
het kerkelijke leven nodig. Op aandringen van Guillaume Farel
(1489-1565) bleef Calvijn in Genève. Eerst als lector, later -
in 1537 - als predikant. In deze tijd werd de basis van Calvijns
theologie gelegd. Samen met Farel stelde hij een
geloofsbelijdenis op (Confession de foi). In de erediensten
voerde hij het zingen van psalmen in. Dat is nog steeds een van
de kenmerken van de gereformeerde eredienst. Er werd catechese
gegeven aan de hand van een catechismus, die een korte
samenvatting van de Institutie. Deze was mede beïnvloed door
Luthers Kleine Catechismus. Maar de Raad van de stad Genève had
grote moeite met de nieuwe ontwikkelingen. De toestand
escaleerde, toen Calvijn alle inwoners van Genève de door hem
opgestelde geloofsbelijdenis wilde laten ondertekenen. Menigeen
was daar niet toe bereid en de spanningen tussen de aanhangers
van Calvijn, de libertijnen en de katholieken liepen hoog op. Er
kwam steeds meer onrust in de stad. Calvijn zette door en de
tegenstand groeide. In 1537 werden Calvijn (en Farel) er door
Pierre Caroli van beschuldigd, dat ze niet recht in de leer
zouden zijn. Calvijn zou een Ariaan zijn en de goddelijke natuur
van Christus loochenen. Dit was bezijden de waarheid, maar
Calvijn weerlegde het niet. De zaak kwam in Bern aan de orde.
Bern had zeggenschap over Genève. In Bern was een luthersgezinde
meerderheid aan het bewind gekomen. Door de verkiezingen van
1538 was in Genève de oppositie aan de macht gekomen. Calvijn en
Farel kwamen in conflict met de nieuwe raad. Daarvoor was een
reeks aanleidingen. De burgerij wenste niet gedwongen naar
preken te luisteren of geëxcommuniceerd te worden.
Verbanning
Op
Paaszondag, 21 april 1538 culmineerde dit conflict. Calvijn en
Farel werden op 23 april afgezet en kregen bevel de stad binnen
drie dagen te verlaten. Calvijn was twee jaar in Genève geweest.
Farel werd in juli in Neuchâtel beroepen. Calvijn wilde
aanvankelijk weer terug naar Bazel om er zijn studies te
hernemen. Het leek hem beter een bestaan als geleerde op te
bouwen en zich verder buiten de publieke zaak te houden. Maar
hij ging overstag toen Straatsburg hem vroeg de Franse
vluchtelingengemeente aldaar pastoraal te verzorgen. Eerst hield
hij de boot af, maar uiteindelijk stemde hij toe, na sterke
aandrang van Bucer en Capito.
Verblijf in Straatsburg
Straatsburg
was in 1538 een belangrijk centrum van het Duitse
protestantisme. Martin Bucer en Wolfgang Capito betoonden zich
onafhankelijk van Wittenberg, ook theologisch. Bucer gold als
een theologisch kopstuk van de reformatie. Zo werd Calvijn van
1538 tot 1541 predikant van de Franstalige vluchtelingengemeente
te Straatsburg. Ook bezette hij er een leerstoel voor exegese
aan de nieuw gestichte academie, waar hij het evangelie van
Johannes en enige brieven van Paulus becommentarieerde. De
commentaren zijn in druk verschenen. Hij werkte ook aan een
heruitgave van de Institutie, die in 1539 verscheen. De
Institutie ontwikkelde zich van een uitgebreide catechismus, die
nog onder invloed van Luther stond, tot een zelfstandige en
omvangrijk boekwerk. In Straatsburg hield Calvijn elke week vier
preken en talrijke spreekbeurten, schreef boeken en ging op reis
om collega’s te ontmoeten en deel te nemen aan
godsdienstgesprekken, zoals in Hagenau, Worms, Regensburg en in
1539 in Frankfurt/Main. Daar leerde Calvijn ook Melanchthon
kennen. Ze werden bevriend. Calvijn had groot respect voor
Luther en dat was wederzijds, al had Calvijn soms moeite met
Luthers halsstarrigheid. Calvijn vond wel, dat lutherse
gemeenten in Duitsland te weinig aandacht hadden voor de opbouw
van het kerkelijke leven en te veel bleven hangen in oude
liturgische vormen. Ook had Calvijn moeite met de te grote in
vloed van de vorsten. Calvijn had het goed in Straatsburg en
wilde er graag blijven. Het was de gelukkigste periode van zijn
leven. In 1539 kreeg hij op zijn eigen verzoek het burgerrecht
en ook financieel had hij geen problemen meer. Aanvankelijk had
hij geen salaris gekregen en was gedwongen geweest een deel van
zijn boeken te verkopen. Op 1 mei 1539 kreeg hij van de overheid
een (karig) salaris van 52 gulden per jaar. In Straatsburg
schreef Calvijn zijn beroemde brief aan kardinaal Sadoletus
(oktober 1539), als antwoord op diens poging de stad weer tot de
rooms-katholieke leer te doen terugkeren. Daarin verweerde hij
zich tegen het verwijt van scheurmaker. Hij benadrukte juist de
eenheid van de kerk, die tot uitdrukking komt in de prediking
van het woord en de bediening van de sacramenten.
Huwelijk
Maar moest
hij niet eens trouwen? Hij vroeg zijn vrienden hem te helpen een
vrouw te vinden, die kuis was. plichtsgetrouw, zuinig, geduldig
en zorgzaam. Martin Bucer kende Idelette Storder-de Bure en
prees haar aan. Ze was weduwe en eerder getrouwd geweest met de
wederdoper Jean Storder. Ze was al moeder van een aantal
kinderen. Ze trouwden in augustus 1540. Farel kwam over uit
Neuchâtel om hen in de echt te verbinden. Idelette schonk
Calvijn drie kinderen, die jong stierven. Idelette stierf zelf
ook jong, na een lang ziekbed in 1549. Vlak na haar dood schreef
Calvijn aan Petrus Viret: “ik ben beroofd van de beste compagnon
van mijn leven en van mijn missie. Ze heeft me op geen enkele
manier gehinderd, ook niet tijdens haar ziekte en ze had meer
zorg voor haar kinderen dan voor zichzelf.”
De delegatie uit Genève
In Genève
was inmiddels veel gebeurd. Na het vertrek van Farel en Calvijn
was het er onrustig gebleven. Geestverwanten van Calvijn en
Farel (Guillermins) hadden hun opvolgers niet erkend en streden
met hun tegenstanders (Artichauds). Door ingrijpen van Calvijn
zelf kwam er ten slotte wel erkenning tot stand van de nieuwe
predikanten, zodat ze hun werk konden doen. Maar het was een
schijnbare rust. Bern probeerde intussen meer controle over
Genève te krijgen. Daarop werden ook deze nieuwe predikanten uit
de stad verjaagd. Er dreigde zelfs een gewapend conflict tussen
de strijdende partijen. Die protestanten konden een deel van de
tegenstanders er van overtuigen, dat er pas rust zou komen als
Calvijn teruggehaald zou worden Op 20 oktober 1540 kwam er een
gezantschap uit Genève naar Straatsburg om Calvijn daartoe te
bewegen. Calvijn weigerde eerst, zelfs toen Farel hem over de
streep probeerde te halen. Bucer wilde Calvijn graag voor
Straatsburg behouden. Na een half jaar van sterke aandrang
stemde Calvijn er ten slotte toch mee in om voor een paar weken
terug te gaan naar Genève. Op 13 september 1541 kwam hij er aan.
Maar het verblijf bleef niet beperkt tot enkele weken, zoals hij
eerst van plan was geweest. Tot aan zijn dood bleef Calvijn
werkzaam in Genève.
Terug naar Genève
Toen Calvijn
naar Genève terugkwam was zijn eerste preek een voortzetting van
zijn laatste preek in 1538, alsof er al geen onderbreking was
geweest. Hij predikte via het schema van een lectio continua.
Zijn positie was nu veel sterker. Hij was immers teruggehaald om
orde te scheppen in stad en in kerk. Toch kreeg hij niet alles
voor elkaar wat hij wilde. Hij had immers geen toegang tot de
besluitvormende colleges van de stad. Hij was wel inwoner (habitant)
van de stad, maar geen burger (citoyen). Daarom had hij zelfs
geen stemrecht. Ook kon hij zich niet kandidaat stellen voor
enig stedelijk ambt. Hij moest dus altijd overtuigen op eigen
kracht en gezag. Het lukte hem bijvoorbeeld niet om er door te
krijgen, dat er elke zondag avondmaal gevierd zou worden. Men
hield zich aan de regels van Bern: vier keer per jaar: met
Kerst, Pasen, Pinksteren en op een zondag in september. Er waren
ook andere conflicten. Calvijn had gezorgd voor een nieuwe
kerkorde (Ordonnances Ecclésiasiques, 1541) en wilde kerkelijke
tucht invoeren en handhaven. Daarom moest het consistorie
volgens hem volmacht krijgen om gemeenteleden, die een misstap
begingen te vermanen en eventueel te excommuniceren. Maar de
stadsraad vond dat er geen tweede rechtsgang kon zijn naast die
van de stad zelf. Uiteindelijk lukte het Calvijn pas in 1555 om
dit voor elkaar te krijgen.
Opbouw van de gemeente in Genève
Van groot
belang was de ecclesiologie die Calvijn ontwikkelde. In zijn
kerkleer legde hij de nadruk op de noodzaak van kerkelijke
eenheid. Maar het voornaamste was dat het woord Gods werd
verkondigd. Hij sprak over het viervoudige ambt: herder, leraar,
ouderling en diaken. De herders moesten preken en onderricht
geven, sacramenten bedienen (doop en avondmaal) en zieken
bezoeken. De leraren (doctores) moesten de aanstaande
predikanten onderrichten in de heilsleer en hen bekwamen in de
uitleg van het Oude en Nieuwe Testament, de bijbelse talen en
algemeen vormend onderricht. Twaalf gekozen ouderlingen vormden
samen met de predikanten het consistorie. Dit consistorie moest
de orde handhaven en zorg dragen voor de leer en de levenswandel
van de gemeente. Er werd toezicht op gehouden of men wel ter
kerke ging. Werd overtreding vastgesteld dan volgde vermaning en
uiteindelijk eventueel afhouding van het avondmaal. Ook kon er
aangifte worden gedaan bij de wereldlijke macht. Er stonden
straffen op lastering van Gods naam, echtbreuk, ontucht etc. al
zijn zulke straffen nauwelijks ten uitvoer gelegd. Ook
overbodige luxe, kansspelen, dans en toneel werden met argusogen
bekeken. Meestal was het consistorie bezig (vaak echtelijke)
twisten bij te leggen. Het consistorie vergaderde wekelijks op
donderdag. In de kerkorde werd vastgelegd, dat het consistorie
op zo’n manier moest optreden, dat het heilzaam was en er geen
onderdrukkende sfeer zou ontstaan Ook mocht het consistorie niet
in de wereldlijke macht of in het publieke recht treden. De
diakenen moesten de armen ondersteunen en de zieken verzorgen.
Genève werd in die jaren overspoeld met vluchtelingen uit vooral
Frankrijk, met wie Calvijn zich uiteraard verbonden voelde. Hij
kreeg in die jaren veel tegenwerking van de overheid die moeite
had met Calvijns streven naar een zelfstandig kerkelijk leven.
Ook waren er theologische conflicten met o.a. Sebastian
Castellio over de canoniciteit van het boek Hooglied, met
Hiëronymus Bolsec over de predestinatie en met de Kamper
theoloog Albert Pigghe over de vrije wil.
De zaak Servet
Verder
speelde in deze tijd de zaak Servet. Michael Servet had in
Toulouse rechten gestudeerd. Rond 1530 had hij geprobeerd
Johannes Oecolampadius voor zijn inzichten te winnen. In oktober
van dat jaar ging Servet naar Straatsburg, waar hij Wolfgang
Capito en Martin Bucer kende. Zijn werk ‘De trinitatis erroribus’
publiceerde hij in Hagenau (1531). Hierin bestreed hij de
triniteitsleer. De Raad van Bazel liet vele exemplaren van dit
boek vernietigen. Bucer oordeelde over Servet dat men hem de ‘de
ingewanden uit het lichaam zou moeten rukken’. Servet
ontwikkelde zijn denkbeelden verder in ‘Dialogi de trinitate’
(1532). Servet zag Jezus als een voorbeeldig mens en de Heilige
Geest als een kracht. Hij vergeleek de drievuldigheid met een
monster met drie koppen. Hij wilde niets weten van drie personen
binnen de éne Godheid, maar sprak van drie krachten. Hij
verwierp de kinderdoop en bestreed de opvatting dat
rechtvaardiging alleen mogelijk was door geloof. Op 3 februari
1546 schreef Calvijn aan Farel over Servet: “Si venerit, modo
valeat mea autoritas, vivum exire nunquam patiar. Als hij hier
zou komen, zal ik - als mijn gezag ook maar iets waard is - hem
niet levend laten vertrekken”. In 1553 wist Servet te ontkomen
uit de gevangenis van Lyon. Op zondag 13 augustus 1553 woonde
hij in Genève een dienst bij in de Madeleine‑Kerk, die door
Calvijn werd geleid. Hij werd herkend en gearresteerd. Servet
werd voor de keus gesteld om of wel te worden uitgeleverd aan
het katholieke Vienne, dat ook een ketter in hem zag, of door
Genève te worden berecht. Servet koos voor het laatste. De
stedelijke rechtbank verklaarde hem tot ketter en veroordeelde
hem tot de brandstapel. Calvijn stelde voor Servet eerst met het
zwaard te doden en pas daarna te verbranden om het lijden te
verlichten. Dit gebeurde niet. In de gevangenis bezocht Calvijn
Servet voor pastorale bijstand. Zo onderging Servet het lot
levend te worden verbrand. De stad had geen gevangenis voor
langgestraften, maar ook geen professionele beul. Bij de
executie ging van alles mis. De geleerde humanist Sebastian
Castellio was een van de eerste reformatoren die krachtige
stelling nam tegen de terechtstelling van Servet. In Champel,
nabij Genève is op de plaats van de brandstapel op 27 oktober
1903 een gedenkteken voor Servet opgericht, 350 jaar na de
executie. Mede door deze zaak kwam Calvijn te boek te staan als
de despoot uit Genève. Stefan Zweig schreef in 1936 (de tijd van
het Nationaal Socialisme)een boek: Ein Gewissen gegen die Gewalt.
Castellio gegen Calvin. Dat boek heeft bijgedragen aan het
slechte imago van de reformator. Hierbij zij overigens
opgemerkt, dat Calvijn in Genève nooit die leidinggevende
positie gehad, die hem vaak is toegedicht. Hij was wel de
belangrijkste predikant, maar het beleid van de stad werd door
de burgerlijke overheden gemaakt. Pas tegen het einde van zijn
leven werd hem het burgerrecht van de stad verleend.
Homo oecumenicus
In zijn werk
stond Calvijn voortdurend heel de Europese kerkelijke situatie
voor ogen en hij probeerde voortdurend de eenheid van alle
christusbelijders te bereiken. Met name zijn vaderland Frankrijk
had daarbij zijn speciale aandacht. Hij hoopte dat de reformatie
ook daar de overhand zou krijgen. Vanuit zijn oecumenische
instelling nam Calvijn deel aan de godsdienstgesprekken tussen
reformatorische en rooms-katholieke woordvoerders. Ook met
lutheranen en dopersen zocht hij naar een weg voor kerkelijke
eenheid, waarbij hij de polemiek niet uit de weg ging. Resultaat
had Calvijn in het contact met Heinrich Bullinger, de opvolger
van Zwingli, met wie het in 1549 tot de Consensus Tigurinus
kwam.
De Academie
In het jaar
1556 bezocht Calvijn Straatsburg om zich te laten adviseren door
Johannes Storm, die aan het hoofd stond van een beroemde
academie. Er bestond toen al een Latijnse School in Genève (het
Collège de la Rive), onder leiding van Castellio. Maar er moest
een theologische faculteit komen voor de opleiding van
predikanten. Daarbij dacht Calvijn veel breder dan alleen
Genève. Naast de theologische moest er een juridische en een
medische faculteit komen. Wetenschappelijk gevormde dienaren van
het Woord waren volgens Calvijns opvatting voor de kerk
onmisbaar. Op 5 juni 1559 werd op initiatief van Calvijn de
Academie opgericht. De opening vond plaats in de St. Pierre.
Deze Academie is grote betekenis geworden voor het gereformeerde
protestantisme in Europa, omdat hier decennialang studenten uit
vele landen werden opgeleid (o.a. John Knox). Velen kwamen ook
uit Nederland. In ditzelfde jaar verschijnt de laatste versie
van de Institiutie. De eerste rector van deze Academie was
Theodorus Beza.
Calvijns levenseinde
Op 2
februari 1564 gaf Calvijn zijn laatste college in de Academie en
op 6 februari hield hij zijn laatste preek. Op 27 mei 1564 is
Calvijn gestorven. Beza werd zijn opvolger. Op 28 mei werd hij
in alle eenvoud begraven, naar zijn eigen wens zonder grafsteen.
Daarom is zijn laatste rustplaats ons niet meer bekend. In zijn
afscheidsrede van 28 februari zei Calvijn, dat hij veel
zwakheden kende en dat alles wat hij gedaan had ten diepste
niets waard was. Hij wist dat het verkeerd kon worden uitgelegd
en toch meende hij het toen hij zei: “Alles wat ik heb gedaan is
niets waard, ik ellendig mens. Ik heb het goede gewild, ik heb
mijn fouten mishaagd en de godsvrucht heeft in mij wortel
geschoten. Ik heb het goed bedoeld. Daarom vraag ik om vergeving
voor wat ik verkeerd heb gedaan en als er iets goeds was, volg
het dan na.” [korte weergave van Calvin‑Studienausgabe Band 2:
Gestalt und Ordnung der Kirche, uitgegeven door E. Busch e.a.,
Neukirchen‑Vluyn 1997, 299].
Calvijns invloed
Van Calvijns
werken is de Institutie het belangrijkste. Dit boek is wijd
verspreid, vaak herdrukt en veel gelezen tot in onze eeuw. Het
heeft een trinitarische opbouw en veel aandacht voor kerkopbouw.
Omdat hij jonger was dan de reformatoren van het eerste uur was
Calvijn in staat het werk van Luther en Melanchthon, van Zwingli
en Bucer mee te nemen in zijn denkproces. Calvijn ontwierp de
eerste versie al in 1536. Daarna bleef hij er aan werken en de
zo groeide de Institutie uit tot de omvangrijke editie van 1559.
Daarnaast schreef hij commentaren op alle bijbelboeken behalve
op het boek Openbaring van Johannes. Verder publiceerde hij
naast catechismussen en kerkordes ook vele kleinere theologische
werken. In zijn theologie gaat het vooral om Gods eer (Soli Deo
Gloria) en het heil van de mensen. De mens is bovenal geschapen
om God te eren. Door de zondeval was dit onmogelijk geworden,
maar God wil de mensen verlossen en laat niet los het werk van
zijn handen. De leer van de uitverkiezing is minder centraal in
Calvijns theologie dan soms wordt gedacht. De Dordtse leerregels
zijn meer in de lijn van (de school van) Theodorus Beza (Calvijns
opvolger) dan van hem zelf. Calvijn leert deze verkiezing wel,
maar gaat het gaat hem dan toch vooral om Gods eer en het heil
van de mens. Calvijn zelf heeft nooit beweerd, dat Christus
alleen voor de uitverkorenen is gestorven. Waar het Calvijn
speciaal om gaat is dat aan God eer toekomt voor ons eeuwig
behoud en dat behoud hangt niet van enige menselijke activiteit,
maar alleen van God zelf door het verlossende werk van Christus
Jezus. De predestinatie werd door Calvinus aanhangers niet als
angstaanjagend ervaren, maar juist als troostrijk en deze leer
fungeerde toen eerder als een dynamo dan als een rem op de
menselijke verantwoordelijkheid en activiteit. Pas in later tijd
kreeg deze leer de ons bekende fatalistische en onderdrukkende
trekken. De eredienst diende om Gods Woord te verkondigen en de
sacramenten (doop en avondmaal) te bedienen. Calvinus hele
theologie is ook vooral pneumatologisch, met veel aandacht voor
het werk van de Heilige Geest. Naast de rechtvaardiging krijgt
ook de heiliging de nodige aandacht.
Calvinisme
Het
calvinisme was van meet af aan sterk internationaal georiënteerd
en heeft niet alleen West-Europa bereikt, maar ook Centraal en
Oost-Europa (Hongarije en Roemenië) sterk beïnvloed. Ook buiten
Europa is calvinistische invloed duidelijk merkbaar in alle
continenten, met name in de USA, Korea, Japan, Indonesië,
Australië, en grote delen van Afrika. Het is goed er op te
wijzen dat calvinisme niet altijd samenvalt met het gedachtegoed
van Calvijn. Het woord calvinisme was oorspronkelijk een
scheldwoord van lutherse zijde aan het adres van de
gereformeerden naar aanleiding van een meningsverschil over de
avondmaalsleer. Calvijn zelf wilde zeker geen calvinisme
stichten, want een beweging die bijbels wilde zijn, kon volgens
hem niet naar een mens worden genoemd. Toch is de naam gebleven.
Calvinisme staat inhoudelijk voor: gereformeerd, wat betekent,
dat het Woord Gods centraal staat en de bron en norm is voor
heel het leven. Gods soevereiniteit en de eigen
verantwoordelijkheid van de mens zijn daarin cruciaal.
|
|