|
Toespraak Mgr. Wiertz b.g.v. 40 jaar Raad van Kerken in Venlo
Beste
mensen,
Indertijd
was ik pastoor van de Pancratiuskerk in Heerlen. Het is een
eeuwenoud gebouw. En er is een tijd geweest (meer dan honderd
jaar vanaf de 17e tot de 19e eeuw) dat de Pancratiuskerk zowel
door katholieken als protestanten werd gebruikt. Dat kwam op
meer plaatsen voor. Het simultaneum, simultaan kerkgebruik werd
dat genoemd. Dat klinkt heel vredelievend en oecumenisch. Maar
dat was het beslist niet. Er waren geen andere kerkgebouwen
beschikbaar en daarom moesten ze van de overheid hetzelfde
gebouw gebruiken.
De
katholieken moesten na de eucharistieviering de beelden afdekken
met lakens. En om de protestanten te pesten lieten ze bewust een
stuk van een beeld uitsteken of gebruikten ze extra veel
wierook, zodat de reuk lang bleef hangen. Althans dat dachten de
protestanten. Op zijn beurt preekte de dominee een andere keer
extra lang, zodat de katholieken buiten moesten wachten, voordat
zij de kerk konden gebruiken. Althans dat dachten de
katholieken. Het geërger moet u zich voorstellen in een totaal
katholiek dorp met een handvol protestanten.
Aan dit
soort pesterijen van beide zijden is op een gegeven moment een
einde gekomen en dat is maar goed ook. Het was niet alleen
kinderachtig, het toont ook aan dat de christenen van toen niet
echt streefden naar eenheid tussen de gelovigen.
Ik denk
zelfs dat we met enige zekerheid mogen zeggen dat de pastoor en
de dominee van toen zich in hun graf zouden omdraaien, als ze
ons vandaag samen in één kerk zouden zien zitten. Maar
desondanks is het goed dat we hier zijn! Het is goed dat we als
leden van verschillende christelijke kerkgenootschappen zo
meteen samen gaan bidden en samen zingen. Je realiseert je dat
als je bedenkt wat sinds de tweede wereldoorlog op dat terrein
is verbeterd.
Als thema
voor deze viering is gekozen voor de 'Schoonheid van de
schepping'. Als je woorden als 'schoonheid' en 'schepping'
hoort, dan denk je aan volmaaktheid en niet aan verdeeldheid.
Toch is de reden dat wij hier vandaag zijn, in zekere zin het
feit dat christelijke gelovigen ooit uit elkaar gegroeid zijn.
En 40 jaar
geleden was het besef gegroeid dat dit eigenlijk niet zo kan
blijven. Dat wij als christenen naar elkaar toe dienen te
groeien, als het volmaakte lichaam van Christus. En dus werd in
1968 de Raad van Kerken opgericht.
Dat was een
daad die helemaal paste in de geest van die tijd. 1968 was een
bijzonder jaar. Het was het jaar van de culturele revolte en van
de studentenprotesten. Pas geleden is in de media nog uitgebreid
op die gebeurtenissen teruggeblikt.
In het beeld
van die tijd paste ook dat de kerken meer toenadering tot elkaar
zochten. De katholieke kerk had net het Tweede Vaticaans
Concilie achter de rug. Dat concilie luidde een groot aantal
vernieuwingen in. Eén van die vernieuwingen was dat oecumene en
de dialoog met niet-christelijke religies op de kaart werden
gezet. Het conciliedocument over de oecumene (Unitatis
redintegratio) begint zelfs met de zin: 'het herstel van de
eenheid tussen alle christenen bevorderen, dát is een van de
voornaamste doelen van de [...] kerkvergadering'.
Dat dit niet
eenvoudig is gebleken, is na 40 jaar ook wel duidelijk. Veel
verschilpunten tussen de kerken, waarvan we in ons enthousiasme
van 1968 dachten snel overheen te stappen, blijken in de
praktijk toch weerbarstiger.
Velen zullen
dan ook zeggen dat er op het gebied van de eenheid nog niet veel
is gebeurd. En inderdaad: er zijn nog steeds verschillende
christelijke kerkgenootschappen. Anderen zullen denken dat de
samenwerking al te ver is doorgeschoten. Maar laten we ons goed
realiseren dat op tweeduizend jaar kerkgeschiedenis 40 jaar maar
een beperkte periode is.
De studenten
die in 1968 de barricaden opgingen, dachten dat ze in korte tijd
de wereld konden veranderen. Vorige maand keken sommigen van hen
terug op die tijd. En ze moesten tot de conclusie komen, dat er
destijds helemaal niet zoveel dingen radicaal veranderd zijn.
Terwijl de samenleving van nu er toch wezenlijk anders uitziet
dan die van 40 jaar geleden.
En zo is het
ook met de oecumene. Wie grootse, radicale veranderingen had
verwacht, zal teleurgesteld zijn. Maar wie de kleine stapjes wil
zien die de afgelopen 40 jaar gezet zijn, moet tot de conclusie
komen dat er wel degelijk beweging in zit en dat de kerken
langzaam naar elkaar toe groeien.
Vooral op
het lokale niveau kan dit gestalte krijgen. Hoewel de
protestantse gemeenschap in Limburg niet zó groot is, in
vergelijking tot andere delen van het land, bestaan er in veel
plaatsen hartelijke betrekkingen tussen de parochie en de
plaatselijke gemeente. Hier in Venlo zonder meer, maar ook
elders in Limburg. Die relaties mogen we koesteren.
Het contact
kan ook verstevigd worden, door samen op te trekken als de
gelegenheid zich voordoet, zoals bijvoorbeeld vandaag in deze
viering. Maar ook op andere terreinen kunnen de kerken zich
sterk maken door de handen ineen te slaan. Door samen op te
komen voor de positie van zwakkeren in de samenleving, of
gezamenlijk stelling te nemen tegen mensen die kerk en geloof
afdoen als een ouderwets en marginaal verschijnsel.
Daarnaast
moeten we ook erkennen dat er punten van verschil zijn, waar we
niet zomaar aan voorbij kunnen gaan. Maar waarvan we ons ook
moeten realiseren dat het geen zaken zijn die wij hier even
kunnen regelen.
Ik heb eens
een uitspraak van een theoloog gelezen, die schreef: "Een
belangrijke voorwaarde voor hereniging of vereniging van kerken
is trouw aan de eigen kerk." Daar schuilt veel waarheid in.
Sinds 1968 is de samenleving zover geseculariseerd dat veel
mensen niet eens meer weten waar ze zelf voor staan, laat staan
dat ze de verschillen begrijpen. Een belangrijke opdracht voor
álle kerken én de Raad van Kerken in onze tijd is daarom het
evangelie opnieuw te verkondigen en vóór te leven. Dat is iets
waar we als christenen samen aan kunnen werken. Laten we er
samen een mooie viering van maken! |