Extra nieuwsbericht Nieuwsbrief Oecumene (14-04-2005)
Achtergrond bij het ‘oecumenische gebaar’ van kardinaal Ratzinger

Volgens de katholieke regelgeving kunnen katholieke bedienaren in bijzondere gevallen de sacramenten toedienen aan niet-katholieken. Kardinaal Jozef Ratzinger deed dit tijdens de uitvaart van paus Johannes Paulus II. 

Bij de uitvaart van paus Johannes Paulus II ontving frère Roger, vriend van paus Johannes Paulus en oprichter van de oecumenische communiteit in Taizé, de communie uit handen van kardinaal Jozef Ratzinger. De Nijmeegse kerkhistoricus prof. dr. Peter Nissen sprak van ‘een groots moment voor de toenadering tussen de kerken’. Volgens Nissen opende dit belangrijke gebaar ‘nieuwe wegen voor de oecumene’.
Het gebaar van kardinaal Ratzinger en de interpretatie van prof. Nissen riepen diverse reacties op in de media en op internet. Was het een uitglijder van de kardinaal of een groots oecumenisch gebaar? Is er volgens de maatstaven van de Katholieke Kerk misschien toch meer ruimte voor intercommunie dan doorgaans gedacht wordt?  

‘Intercommunie’

In de Nederlandse oecumenische verhoudingen is intercommunie tussen protestanten en katholieken al jarenlang een heikel punt. In die discussie wordt gewoonlijk een heel breed begrip van intercommunie gebruikt. Dan slaat het zowel (1) op een overeenkomst tussen kerken over eucharistie- of avondmaalsgemeenschap of (2) op een regeling binnen een bepaalde kerk met betrekking tot volledige (dus inclusief het ontvangen) deelname van leden in het algemeen van een andere geloofsgemeenschap aan avondmaal dan wel eucharistie als (3) op iedere volledige deelname van een lid van een andere geloofsgemeenschap aan avondmaal of eucharistie.  In strikte zin genomen staat intercommunie voor een afspraak tussen kerken over wederkerige toelating van leden van hun gemeenschappen tot de viering van het Avondmaal/Eucharistie.

Geen intercommunie

Het Oecumenisch Directorium dat de Pauselijke Raad voor de bevordering van de eenheid der christenen in 1993 publiceerde, probeert ten aanzien van het vieren van de gemeenschap met christenen van andere kerken in de toepassing van beginselen en normen recht te doen aan een dubbele feitelijkheid: ‘1) de werkelijke gemeenschap in het leven van de Geest die reeds onder christenen bestaat en die tot uitdrukking komt in hun gebed en eredienst; en 2) het onvolkomen karakter van deze gemeenschap vanwege de verschillen in geloof en denkwijze die niet te verenigen zijn met het zonder voorbehoud delen van de geestelijke gaven.’  (Oec. Dir. 104)

Het Directorium legt aan de ene kant grote nadruk op de betekenis van het doopsel als band van de eenheid. Op basis daarvan zijn er talrijke mogelijkheden om in gebed, (niet-sacramentele) eredienst, getuigenis en dienst samen te komen en te werken met christenen van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen. Maar omdat de viering van de Eucharistie de uitdrukking is van de eenheid van de Kerk, is het in deze katholieke optiek bijna niet mogelijk om tot intercommunie te besluiten met kerken of kerkelijke gemeenschappen waarmee geen volledige gemeenschap bestaat.

Wel ruimte in individuele situaties

De deelname van niet-katholieken aan sacramentele vieringen wordt echter door het Directorium ook niet helemaal uitgesloten. Het is kenmerkend voor de katholieke regelgeving met betrekking tot oecumene dat ‘in bepaalde omstandigheden, bij wijze van uitzondering en op bepaalde voorwaarden het kan worden toegestaan of zelfs is aan te bevelen om christenen van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen toe te laten tot deze sacramenten.’ (Oec. Dir. 129).

Het Oecumenisch Directorium heeft in de nrs. 130 en 131 de aanzet gegeven tot de formulering van de normen en de voorwaarden volgens welke een katholieke bedienaar de sacramenten van eucharistie, boete en ziekenzalving kan toedienen aan een gedoopte voor wie bijzondere omstandigheden gelden.

Stervensgevaar en ‘andere gevallen’

Het gaat hier op de eerste plaats om situaties waarin stervensgevaar bestaat, maar het Directorium spreekt ook van (niet-nader ingevulde) ‘andere gevallen’. Het Directorium legt de verantwoordelijkheid bij Bisschoppenconferenties en individuele bisschoppen om algemene normen vast te stellen aan de hand waarvan de ernst en de dringende noodzaak van bepaalde situaties kunnen worden beoordeeld en de voorwaarden kunnen worden gecontroleerd. ‘De katholieke bedienaren moeten de afzonderlijke gevallen beoordelen, en mogen alleen in overeenstemming met die normen, zo deze bestaan, het sacrament toedienen. Anders zullen zij oordelen volgens de normen van dit Directorium.’ (nr. 130).

In deze lijn past ook wat paus Johannes Paulus II schreef in zijn beroemde encycliek ‘Ut unum sint’ (1995): ‘In deze samenhang is het een reden tot vreugde dat katholieke ambtsdragers in bepaalde bijzondere gevallen de sacramenten van eucharistie, biecht en ziekenzalving kunnen toedienen aan andere christenen die niet in volledige communio zijn met de Rooms-Katholieke Kerk, maar die vurig verlangen ze te ontvangen, uit vrije wil erom vragen, en het geloof delen dat de Rooms-Katholieke Kerk in de sacramenten belijdt’ (nr. 46).

Minder star dan gedacht

Het in Nederland veel besproken gebaar van kardinaal Ratzinger die de hostie uitreikt aan Frère Roger past binnen dit kader. Het betekent geen breuk met de officiële beleidslijn van de katholieke kerk. Maar de diversiteit van de reacties roept wel de vraag op of het beeld dat men heeft van die officiële beleidslijn niet te star is.

---

Het document ‘Ecclesia de Eucharistia’ (2003) vermeld het volgende: 

45.       Terwijl het nooit geoorloofd is om te concelebreren bij afwezigheid van volledige communio, is datzelfde niet waar met be-trekking tot het toedienen van de Eucharistie onder bijzondere omstandigheden en jegens individuele personen die behoren tot Kerken of Kerkelijke Gemeenschappen die niet in volle gemeenschap zijn met de katholieke Kerk. In dit geval is het feitelijke doel om tegemoet te komen aan een ernstige geestelijke behoefte met het oog op het eeuwige heil van afzonderlijke gelovigen, maar niet om een intercommunie te praktiseren, die onmogelijk blijft zolang de zichtbare banden van de kerkelijke communio niet zijn bevestigd.
            In deze zin heeft het Tweede Vaticaans Concilie zich uitgesproken toen het de te volgen praktijk tegenover Oosterse christenen heeft bepaald die, geheel te goeder trouw gescheiden van de katholieke Kerk levend, spontaan om het ontvangen van de Eucharistie uit handen van een katholieke gewijde ambtsdrager vragen en die daarop op de juiste wijze zijn voorbereid.95 Deze handelwijze is vervolgens bevestigd door de beide Codices, waarin ook voorzien is, met de noodzakelijke aanpassingen, in het geval van de andere, niet-oosterse christenen, die niet in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk staan.96

46.       In de Encycliek Ut unum sint heb ik zelf laten blijken hoezeer ik deze normen waardeer die het mogelijk maken met de juiste onderscheiding zorg te dragen voor het heil van de zielen: “In deze samenhang is het een reden tot vreugde dat de katholieke ambtsdragers in bepaalde bijzondere gevallen de sacramenten van Eucharistie, biecht en ziekenzalving kunnen toedienen aan andere christenen die niet in volledige communio zijn met de R.-K. Kerk, maar die vurig verlangen ze te ontvangen, uit vrije wil erom vragen, en het geloof delen dat de R.-K. Kerk in die sacramenten belijdt. Omgekeerd kunnen in bepaalde gevallen en vanwege bijzondere omstandigheden ook de katholieken zich voor deze sacramenten wenden tot de ambtsdragers van de Kerken waarin deze sacramenten geldig zijn.”97
            Deze voorwaarden – waarin niet gedispenseerd kan worden – moeten goed in acht worden genomen, ook al gaat het om specifieke afzonderlijke gevallen. Want de afwijzing van één of meer geloofswaarheden met betrekking tot deze sacramenten en, daaronder, de loochening van de waarheid die het voor de geldigheid ervan noodzakelijke vereiste van het gewijde priesterschap betreft, maakt dat degene die erom vraagt niet in de juiste gesteldheid is om ze rechtmatig te ontvangen respectievelijk toegediend te krijgen. En ook omgekeerd zal een katholieke gelovige de heilige communie niet kunnen ontvangen in een gemeenschap waarin het geldige wijdingssacrament niet aanwezig is.98
            Het trouw in acht nemen van het geheel van normen met betrekking tot deze materie99 vormt een uitdrukking en tegelijkertijd een garantie van liefde, zowel jegens Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament alsook jegens de broeders van een andere christelijke confessie, aan wie wij het getuigenis van de waarheid verschuldigd zijn, alsook jegens de zaak zelf van de bevordering van de eenheid.

(Met dank aan: Kees Slijkerman).